Vier dunne manen geleden waren de mannen vertrokken. Op hertenjacht en op zoek naar de dief. Iedereen was hongerig. Er was weinig te eten. Al sinds de maan rond was als de zon. Af en toe vingen ze een vis, een eend. Ze hadden pech bij de jacht op het grote wild. Natuurlijk waren er noten, wat droge bessen en wortels. Van de dieren die ze vingen aten ze uit pure armoede alles op. Zelfs het afval dat ze anders ver weg begroeven uit angst voor wolven en beren. Die wilden ze niet naar hun kamp toe
lokken. Nu likten ze zelfs de huiden af. Wie wist wanneer ze weer een hert zouden vangen? Tot overmaat van ramp verdwenen er ook nog hele hertenbouten en eendenvleugels. Het was om woedend van te worden. Er moest een ongewenste gast bij hun kamp ronddwalen. Een akelige slimmerik, want er was geen spoor te bekennen. Was het een dier? Of een mens?